Terug naar onderzoek

27 mei 2026 · 6 min leestijd

Elke kamer heeft een eigenaar. De ruimte ertussen heeft er geen.

Onderzocht door Freudche

Samenvatting

Van het kastje naar de muur is geen incident. Het is wat een stelsel oplevert waarin niemand is aangewezen om de mens tussen de kamers vast te houden. De inspectie vond dat zorgaanbieders onvoldoende afspraken maakten over wie verantwoordelijk is zolang een cliënt op de wachtlijst staat. Het IBO van 2025 noemt het stelsel onhoudbaar en wijst versnippering over vier aparte wetten aan als kernoorzaak. En de huisarts, het enige vaste punt, is een onbedoelde wachtkamer geworden: 93% zegt nauwelijks te kunnen doorverwijzen, en is zo’n 3,7 uur per week kwijt aan overbruggingszorg die niet bij hem hoort. Elke stap begint opnieuw, omdat elke kamer van iemand anders is, en de naden van niemand.

Er staat een verhaal op Wij zijn MIND, en de schrijver gaf het de enige titel die eerlijk was: het doolhof dat "de GGZ" heet. Iemand wacht drie maanden op een intake. De intake besluit dat zij niet op de juiste plek zit. Dus gaat ze door, alleen vraagt dat een nieuwe verwijzing, dus terug naar de huisarts, dus weer een nieuwe wachtlijst. Uiteindelijk komt ze bij een specialist, en die zegt, vriendelijk, dat ze eigenlijk beter geholpen zou zijn bij een traumacentrum. Dat is, natuurlijk, ergens anders. Dus begint ze opnieuw. Lees het als één mens die een rondje loopt, en je voelt de uitputting. Maar lees het eens als een tekening. Dan valt iets kouders op. Nergens in die hele kring was er één iemand wiens taak het was om te zorgen dat zij ergens aankwam.

Dit is het stuk dat we bijna nooit benoemen, want het heeft geen eigenaar en dus legt geen enkel formulier het vast. We praten over de wachtlijst alsof het één rij is. Maar dat is het niet. Het zijn meerdere rijen, elk voor een andere deur, en tussen die deuren ligt een stuk niemandsland dat de mens elke keer alleen oversteekt. De overdracht heet "verwijzing verstuurd en ontvangen", een regel op een formulier. Maar wat is het echt, voor wie het meemaakt? Het is een herstart. Het werk van gekend worden begint in elke nieuwe kamer weer bij nul, en de kamer die je net verliet heeft je hand allang losgelaten. Wie draagt het wachten? Wie neemt op als zij belt? Wie merkt het als zij stopt met bellen? Niemand. Want het wachten gebeurt in de ruimte waar geen kamer voor verantwoordelijk is.

Niemand heeft afgesproken wie jou vasthoudt terwijl je wacht

De voor de hand liggende vraag is dus: wiens taak is het om de mens tussen de kamers vast te houden? Je zou een antwoord verwachten. Dat is er niet. Toen de inspectie precies naar die naad keek, vond ze dat zorgaanbieders onvoldoende afspraken hadden gemaakt over wie voor welke zorg verantwoordelijk is wanneer een cliënt op de wachtlijst staat (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, 2023). Laat dat even bezinken. Het is niet dat de afspraak slecht was. De afspraak werd nooit gemaakt. De patiënt raakt niet kwijt omdat iemand haar liet vallen. De patiënt raakt kwijt omdat er, in de ruimte tussen twee aanbieders, nooit iemand was aangewezen om vast te houden.

En dat is geen slordigheid van vermoeide mensen. Het zit ingebouwd. Het IBO van 2025, dat veelzeggend Uit balans heet, kwam tot een conclusie die een overheidsrapport zelden zo plat opschrijft: het stelsel is in zijn huidige vorm onhoudbaar (Interdepartementaal Beleidsonderzoek, 2025). Een van de kernoorzaken die het noemt, is versnippering. De zorg voor één mens is verdeeld over aparte wetten, de Zvw, de Wmo, de Wlz, de Jeugdwet, en die wetten dragen, zegt het rapport, verschillende mensbeelden. Verschillende ideeën over wat de mens tegenover je eigenlijk is. Dus als de kamer van de ene wet je doorgeeft aan de kamer van de andere, sluiten die twee niet op elkaar aan. Het gat waar je in valt is geen kuil in de weg. Het is de naad waar twee stelsels die nooit zijn ontworpen om elkaar te ontmoeten, tegen elkaar aan worden gedrukt en geacht worden samen te werken. "Ja, maar dan maak je toch gewoon betere afspraken?" Was het maar zo simpel. Afspraken tussen twee wetten met verschillende mensbeelden zijn geen kwestie van goede wil. Ze stuiten op de naad zelf.

De huisarts wordt de wachtkamer, en het is zijn kamer niet

Ondertussen is er één vast punt in dit alles, één kamer waar de patiënt altijd terug kan komen: de huisarts. En hier doet het doolhof iets stilletjes wreeds. Het maakt van de huisarts, die geen opdracht heeft om ggz-behandeling te geven, de plek waar iedereen wacht. De cijfers zijn hard. In een peiling van de huisartsenvereniging uit 2025 gaf 93% van de huisartsen aan weinig tot geen mogelijkheid te ervaren om door te verwijzen naar de specialistische ggz, en 67% zei hetzelfde over de basis-ggz (Landelijke Huisartsen Vereniging, 2025). Wie iemand niet door kan sturen, houdt iemand. Dus zijn huisartsen nu gemiddeld zo’n 3,7 uur per week kwijt, bijna een halve werkdag, aan overbruggingszorg in de ggz die nooit van hen was. En patiënten, registreert dezelfde peiling, worden teruggestuurd uit de specialistische zorg zonder enig overleg. De verwijzing komt terug als een onbestelbare brief, zonder briefje erbij, en de huisarts blijft achter met een mens die hij niet kan dragen.

Waarom gaat het zo? Omdat elke kamer apart wordt bekostigd, gecontracteerd en bestuurd, en alleen verantwoording aflegt over wat er bínnen gebeurt. Niet omdat iemand harteloos is. Over wat er tússen de kamers gebeurt legt niemand verantwoording af, want tussen de kamers is geen kamer. De patiënt beleeft dit als persoonlijke verlating, het gevoel dat het stelsel haar opborg en wegliep. De documenten laten iets onpersoonlijkers zien, en op een nare manier iets ergers: er was om te beginnen niemand om weg te lopen. De verlating is structureel. Het is wat een stelsel oplevert wanneer eigenaarschap bij elke drempel ophoudt.

De echte vraag is dus niet hoe we één deur sneller open krijgen. Die is moeilijker, en stiller. Als de mens al dat niemandsland moet oversteken, wat reist er dan met haar mee? Nu bijna niets. De verwijsbrief gaat vooruit, dun en klinisch. De mens zelf komt uitgeput aan, viermaal een vreemde geweest. Het enige dat de kloof zou kunnen overbruggen, de draad van wie zij is en wat ze al verteld heeft, is precies wat het stelsel geen middel heeft om mee te dragen.

In dat gat zit Freudche, en eerlijk is eerlijk: het zit maar in een hoekje ervan. Het eerste deel is The Tussen, het ertussenin: een klein stukje milde nabijheid dat de patiënt verbonden houdt over de kloof heen, zodat het wachten niet gewoon lege tijd is waarin de draad verslapt en de mens stilletjes verdwijnt. Het tweede deel is een gentle handover, zodat er, als de kamer wél verandert, iets van continuïteit meereist naar de volgende in plaats van terug naar nul. Maar laat ik helder zijn over wat dit wel en niet is. Een hulpmiddel dat bij één behandelaar woont, kan geen verantwoordelijkheid herverdelen tussen vier wetten. Het kort de rij niet in, en het lijmt de versnippering niet die de Staat zelf onhoudbaar noemt. Wat het wél kan, is kleiner en echt: de draad van de mens warm houden over één kloof heen, zodat zij niet tot niets wordt gereduceerd telkens als er een deur achter haar dichtgaat.

Het doolhof is geen pech, en het is de schuld van geen enkele behandelaar. Het is wat er gebeurt wanneer elke kamer een eigenaar heeft, en de ruimte tussen de kamers van niemand is. Als we de mens nog geen eigenaar kunnen geven voor de hele reis, dan is dit het minste wat we samen kunnen doen: zorgen dat, in dat donkere stuk tussen twee deuren, de draad van wie zij is niet hoeft te worden losgelaten.

Onderzocht door Freudche.

Bronnen

We gebruiken privacyvriendelijke analytische cookies om te begrijpen hoe de site wordt gebruikt en om deze te verbeteren. Kies "Accepteren" om ze toe te staan, of houd alleen de cookies aan die nodig zijn om de site te laten werken. Privacyverklaring

Elke kamer heeft een eigenaar. De ruimte ertussen heeft er geen.