Terug naar onderzoek

25 mei 2026 · 6 min leestijd

De therapeut weet als laatste dat de laatste sessie de laatste was

Onderzocht door Freudche

Samenvatting

Van de 100 mensen die een ggz-praktijk benaderen, zitten er bij sessie 10 nog geen 17 in therapie, en 20% tot 57% van wie wél een eerste sessie bijwoont, komt nooit terug voor een tweede. Het uitvalonderzoek laat zien dat therapeuten de drift vaak voelen maar zwijgen. 76% voelt dat een cliënt vertrekt; slechts 23% zegt er iets over. De cliënt loopt weg zonder afsluitende sessie, en het enige venster voor herstel sluit voordat iemand het opent.

Een vrouw over wie ik hoorde, hield haar laatste afspraak, zei "tot volgende week" en kwam nooit meer terug. Geen telefoontje, geen afzegging, geen "dit werkt niet voor mij". Alleen een stoel die de dinsdag erna leeg bleef. En de dinsdag daarna ook. Haar therapeut speelde dat laatste uur weken later nog af, op zoek naar het moment dat ze het had moeten zien. Was er zo'n moment? Nee, niet één helder moment. En precies dat is meestal het hele probleem.

En zo bijzonder was ze niet. Van de 100 mensen die een ggz-praktijk benaderen, komen er ongeveer 50 opdagen voor de intake, halen er zo'n 33 een eerste behandelsessie, en zitten er bij sessie 10 nog geen 17 in therapie (Barrett e.a., 2008). Van wie wél een eerste sessie bijwoont, komt 20% tot 57% nooit terug voor een tweede (Baekeland & Lundwall, 1975). De lege stoel is dus het gewoonste wat er is in ons vak. We blijven er alleen telkens van verrast staan, één cliënt tegelijk.

We vertellen onszelf een geruststellend verhaal over zulke eindes. Dat ze uit het niets komen. Dat de cliënt geen enkel teken gaf. Dat niemand het had kunnen weten. Maar klopt dat wel? Bijna niet. De therapeut weet het niet als laatste omdat het teken nooit kwam. De therapeut weet het vaak als laatste omdat het teken er wél was, gevoeld werd, en niet werd uitgesproken.

Het teken dat onuitgesproken blijft

Kullgard en collega's (2022) bevroegen 116 behandelaren. 76% zei wel eens aangevoeld te hebben dat een cliënt zou stoppen. Slechts 23% sprak dat ook uit. Lees die twee getallen eens naast elkaar. Drie op de vier voelden de drift; minder dan één op de vier zei er iets over. Het stille einde is geen kwestie van niet zien. Het is een kwestie van niet zeggen.

Datzelfde onderzoek vroeg die behandelaren ook hun eigen uitvalpercentage te schatten. Het gemiddelde antwoord? 8,89%. Het echte cijfer voor die groep ligt ergens tussen de 20% en 26%. We dragen dus een privégetal met ons mee dat minder dan de helft is van wat er werkelijk in onze kamers gebeurt. Ook dat is een stille vorm van niet-weten.

Waarom blijft dat aanvoelen stil? Misschien omdat het hardop benoemen voelt alsof je juist datgene uitnodigt waar je bang voor bent. Misschien omdat een sessie die voor jou prima voelde geen plek biedt om te vragen: zijn we hier samen nog mee bezig? Ja, maar dan merk je dat toch wel? Niet altijd. Murphy en collega's (2022) vonden, in één onderzoek naar CGT bij depressie, dat alleen het oordeel van de cliënt over de alliantie voorspelde wie zou vertrekken. Dat van de therapeut niet. Het bredere beeld is genuanceerder dan dat ene onderzoek, maar de richting klopt: hoe het aan de overkant van het bureau voelt, dát is de beleving die meereist met de mens die misschien niet terugkomt.

Wat ze meenemen naar huis

En wat nemen ze dan mee naar huis? Vraag het de mensen die vertrokken, niet de therapeut die gokt naar redenen. Homan (2025) vond dat de meestgenoemde reden eenvoudiger en pijnlijker was: ze voelden zich niet gehoord. Niet groots weggewuifd, hoor. Niet tegengesproken. Gewoon het langzame gevoel een dossier te zijn in plaats van een mens. Dat de ander een model volgde, en niet hén. Dat is de alliantie die stilletjes uit elkaar valt. En juist die alliantie is de sterkste rode draad naar de uitkomst die we kennen, over zo'n 295 studies heen (Flückiger e.a., 2018). En ze trekt net zo hard aan wie vertrekt: schatten therapeut en cliënt de band als zwak in, dan stijgt de kans op uitval met een effectgrootte van d = 0,55, en dat is in ons vak geen voetnoot (Sharf e.a., 2010).

Tel je eigen caseload

Hoe groot is dit dan? Ongeveer 20% van de volwassenen stopt voordat de behandeling haar natuurlijke einde bereikt (Swift & Greenberg, 2012); in landen als Nederland ligt het cijfer dichter bij 26% (Wells e.a., 2013). Bij jongeren en sommige andere groepen ligt het nog hoger. En wanneer gaan ze weg? Niet willekeurig verspreid: in datzelfde internationale onderzoek viel de meeste uitval vroeg, vooral na de tweede afspraak, voordat enige verlichting de mens aan het werk kon binden (Wells e.a., 2013). En een Nederlands cijfer? Dat bestaat niet. Geen NZa, geen Vektis, geen Akwa GGZ die een uitvalpercentage publiceert. Stil. Dus doe de rekensom die het systeem niet maakt. Neem je eigen caseload, de mensen die je deze maand ziet, en tel er één op de vijf. Geen abstractie. Gezichten die je bij naam kent.

Wat kost dat stille einde nou eigenlijk? Niet alleen de lege stoel. Het kost het ene gesprek dat de koers had kunnen verleggen. De kans om te vragen, bij te sturen, het kleine scheurtje te herstellen voordat het groter werd. Om goed af te sluiten, als afsluiten het juiste was. Want weggaan is niet altijd falen: Lopes en collega's (2017) zagen dat 62% van de uitvallers bij follow-up op lange termijn een klinisch betekenisvolle verbetering had bereikt. Sommige mensen vertrekken omdat ze klaar zijn, niet omdat ze gekwetst zijn. Maar je weet alleen wélke je voor je hebt als iemand het hardop zegt, terwijl de stoel nog warm is.

De vraag die nog vorm krijgt

Je ziet de drift waarschijnlijk niet in het moment zelf. Bijna niemand van ons kan dat. Maar je kunt het wél vragen. "Werken we aan wat er voor jou echt toe doet? Voel je je hier gehoord?" Niet als risicotaxatie. Als een echte vraag, zolang er nog een volgende dinsdag is om antwoord te geven.

Dit is het enige wat Freudche hier doet. Na een sessie laat Engagement je zien hoe deze cliënt vandaag meedeed, alleen afgezet tegen zijn eigen gebruikelijke patroon, nooit tegen dat van een ander. Liepen de antwoorden korter dan voorheen? Hoe vaak ging het naar dieper, gevoeliger terrein? Waar vielen de langere stiltes? Een cijfer, een percentage, een risiconiveau? Nee, niets van dat. Geen oordeel. Alleen zachte banen en een rustige trend, de gesprekstextuur die je in het moment zelf zo moeilijk voelt. Het duidt niet, en het voorspelt niet. Het laat zien wat er verschoof, zodat jij het iets eerder opmerkt. Jij leest het. Jij beslist. Jij brengt het de kamer in.

Ergens is er een dinsdag die jij nog steeds afspeelt. Dat laatste uur, op zoek naar het moment dat je het had moeten zien. Dat "tot volgende week" dat een afscheid bleek. Was er zo'n moment? Nee. Er was alleen de vraag die je voelde opkomen en liet passeren, de vraag die jullie samen had gehouden, zolang het nog samen was. Stel hem de volgende keer. Nu het nog de volgende keer is.

Onderzocht door Freudche.

Bronnen

We gebruiken privacyvriendelijke analytische cookies om te begrijpen hoe de site wordt gebruikt en om deze te verbeteren. Kies "Accepteren" om ze toe te staan, of houd alleen de cookies aan die nodig zijn om de site te laten werken. Privacyverklaring

De therapeut weet als laatste dat de laatste sessie de laatste was